Met een klein bedrag een groot verschil maken. Dat is het doel van het Mini-Maatwerkbudget: een potje geld waarmee hulpverleners in het sociaal domein – met minimale spelregels – mogen ‘doen wat nodig is’. Hoe werkt dit in de praktijk en welke voordelen levert het op voor zowel hulpverleners als mensen die kampen met een probleemsituatie? Anneke Ensink en Jessica van den Toorn, beiden projectleider maatwerk in hun eigen gemeente, vertellen erover.
“Met het Mini-Maatwerkbudget kunnen hulpverleners makkelijk en snel kleine bedragen inzetten. De enige voorwaarde is dat zij deze keuze met elkaar maken,” vertelt initiatiefnemer Anneke Ensink. Zij is projectleider Maatwerkbudgetten bij de gemeente Amsterdam en heeft veel ervaring in het begeleiden van hulpverleners op het vlak van inkomen, schulden en armoede.
Anneke: “Toen we in Amsterdam startten met een ‘doorbraakfonds’ om hulp bij schulden te verbeteren, kwam het voor dat acht mensen vergaderden over 200 of 300 euro. Dat is natuurlijk niet handig. Zo ontstond in 2018 het Mini-Maatwerkbudget, waar teams bestaande uit hulpverleners uit buurtteams zoals maatschappelijk werkers, ambulant begeleiders, schuldhulpverleners en soms een klantmanager van Werk, Participatie en Inkomen, gebruik van kunnen maken. Deze teams krijgen jaarlijks een budget van 2.000 euro, waarvan ze maximaal 500 euro aan één huishouden mogen besteden. Dit geld is niet bedoeld voor het aflossen van schulden, of als er een andere voorziening is. Het gaat echt om het snel kunnen betalen van spullen of diensten.”
Gelijk actie na gezamenlijk overleg
Wanneer een hulpverlener gebruik wil maken van het Mini-Maatwerkbudget, deelt deze persoon het voorstel met collega’s – meestal 10 tot 15 personen – in de WhatsApp-groep waar ze in zitten. Anneke: “De teamleden hebben 24 uur de tijd om tot een besluit te komen. Als minimaal drie van hen toestemming geven, kan de inbrenger meteen aankopen of betalingen doen vanuit het Mini-Maatwerkbudget. Op deze manier voorkomen we op een laagdrempelige manier dat mensen verder in de problemen raken.”
Inmiddels werken er in Amsterdam 85 teams met het Mini-Maatwerkbudget. Zij hebben elk een eigen bankrekening en pinpas, waardoor de besteding eenvoudig kan worden gecontroleerd door naar de banktransacties te kijken. Anneke krijgt vaak de vraag of die 2.000 euro niet heel snel op is. Nee dus. “De teams zijn heel enthousiast en actief, maar ook superstreng. Ze gaan zeker niet als een Sinterklaas door de stad; bijna 80 procent houdt zelfs budget over. Daarom hebben we op een gegeven moment gezegd dat ze in 20 procent van de keren dat ze het Mini-Maatwerkbudget inzetten, spijt mogen hebben. Hulpverleners hebben toch de neiging regels en kaders toe te voegen, maar bij het Mini-Maatwerkbudget gaat het er juist om dat ze laagdrempelig en snel in actie kunnen komen.”
Zo is er vanuit het Mini-Maatwerkbudget een keer een hometrainer betaald voor een man die herstellende was van een ernstige ziekte, vertelt Anneke. “Hij moest meer gaan bewegen, maar kon niet vaak naar buiten in verband met het coronavirus en had zelf onvoldoende financiële middelen om een hometrainer aan te schaffen.” Enkele andere voorbeelden waar het budget voor gebruikt werd waren reiskosten voor een ziekenhuisafspraak, de kosten van een advocaat, kleding en een hotel ter overbrugging van een korte periode dakloosheid.
Kleine gift met groot effect
Na Amsterdam gingen ook Utrecht, Leiden en Hengelo aan de slag met het Mini-Maatwerkbudget. In 2020 werd in de Utrechtse wijk Ondiep een eerste team gevormd onder de naam ‘Voorkom Erger Potje’, bestaande uit zo’n 10 tot 15 professionals van de buurtteams, Werk en Inkomen, sociaal raadslieden en de Tussenvoorziening. Inmiddels heeft elke wijk zo’n Voorkom Erger Potje én is er een aparte WhatsApp-groep voor hulp aan dak- en thuislozen. Jessica van den Toorn, vanuit de gemeente Utrecht projectleider van de City Deal Eenvoudig Maatwerk: “Als gemeente willen we in de eerste plaats denken vanuit de inwoners zelf. Daarom is Utrecht sinds vijf jaar aangesloten bij deze City Deal, waarin we met verschillende gemeenten en ministeries werken aan het zo goed mogelijk toepassen van maatwerk. Een doelstelling waar het Mini-Maatwerkbudget goed bij aansluit.’
Jessica noemt het Voorkom erger potje ‘een kleine gift met een groot effect’. “Zo was er bijvoorbeeld een vrouw die haar huissleutel in het slot had laten zitten, waarna de sleutel was verdwenen. Deze situatie riep zoveel angst op dat ze haar huis niet meer uit durfde, want geld om het slot te vervangen had ze niet. Vanuit het Voorkom erger potje hebben we toen een nieuw slot laten plaatsen. Dit laat goed zien hoe we met een paar tientjes een situatie hebben opgelost die iemand onevenredig veel ellende opleverde.”
Samen komen tot de menselijke maat
Een potje waarmee je als maatwerkprofessional kan ‘doen wat nodig’ is, dat klinkt eenvoudig en zo is het ook bedoeld. Tegelijkertijd mag het geen olifantenpaadje worden, vindt Jessica. “Dat risico kennen we van andere maatwerkbudgetten. Het uitgangspunt is dat we altijd eerst de reguliere route verkennen voordat het Mini-Maatwerkbudget wordt ingezet. Het is belangrijk dat groepen met elkaar gevoel krijgen bij wat wel en niet de bedoeling is, zonder vinkjes en harde criteria. In Utrecht gebruiken we daarbij als hulpmiddel de waardendriehoek van Instituut Publieke Waarden, een onderdeel van de Doorbraakmethode.”
Anneke vult aan: “Ik merk dat sommige hulpverleners bang zijn voor willekeur of precedentwerking. Dat kan een belemmering zijn om het budget in te zetten. Maar situaties zijn allemaal anders en je moet de keuze echt per situatie maken. Daarom is het groepsbesluit ook zo belangrijk; dat proces maakt een afgewogen beslissing mogelijk. Op deze manier ga je extremen uit de weg en kom je met elkaar tot de menselijke maat.”
Meer slagkracht voor professionals
Als manager van Professionals voor Maatwerk Multiproblematiek (PMM) juicht Marjan Jellema het Mini-Maatwerkbudget van harte toe. Marjan: “Naast dat dit ten goede komt aan inwoners in de knel, is het een hele mooie aanpak die de positie van professionals in het sociaal domein versterkt. Het geeft hun meer slagkracht en ruimte, waardoor ze mensen eerder en sneller kunnen helpen. Ook is het een manier van werken waar zowel grote als kleinere gemeenten mee aan de slag kunnen gaan.”
Marjan ziet bovendien raakvlakken met systeemleren, een onderdeel van PMM. “Met ons Landelijk Maatwerkloket Multiproblematiek helpen we bij vastgelopen casussen, maar we willen ook achterhalen waardoor een casus is vastgelopen en hoe we hiervan kunnen leren. Zo krijgen we zicht op knelpunten op het vlak van wet- en regelgeving of in het systeem, die het leveren van maatwerk in de weg staan. Ik zou het mooi vinden als gemeenten hier bij de inzet van het Mini-Maatwerkbudget ook naar kijken. Als blijkt dat er vaak knelpunten zijn in bijvoorbeeld leerlingenvervoer of tandartskosten, kunnen zij onderzoeken of de gemeente hier iets in kan veranderen of dat dit een zaak is voor het Rijk. Dat zorgt voor een structurele verbetering.”
Leren van knelpunten
Het Mini-Maatwerkbudget gebruiken om te leren van veelvoorkomende problemen is zeker iets wat Anneke en Jessica graag verder willen ontwikkelen. Jessica ziet bijvoorbeeld dat het regelmatig voorkomt dat iemand een ID-kaart niet kan betalen. Jessica: “Dat werkt enorm belemmerend voor mensen, maar de bijzondere bijstand mag dit niet vergoeden. Dat vind ik een interessante, want waarom mag dat niet? Dit is echt zoiets waarvan ik denk: lopen niet veel meer mensen hier tegenaan? Ik zie hierin een patroon waarvan we kunnen leren.”
Anneke vult aan: “Inmiddels werken er al zoveel teams met deze methodiek, dat we steeds meer inzage krijgen in knelpunten en veelvoorkomende problemen. Maar we zien ook in de appgroepen dat bij 30 procent van de ingebrachte casussen geen geld wordt ingezet. Een voorbeeld: een hulpverlener geeft aan dat een kind een laptop nodig heeft, waarop de reactie komt dat daar een fonds voor is. Toen we dit vier keer zagen gebeuren, werd er een beleidsregel gemaakt over hoe je snel via de juiste route aan een laptop kan komen. Zo leren we continu en kunnen we onze hulp aan mensen die dat nodig hebben steeds meer verbeteren.”