Steeds meer gemeenten wijzen maatwerkprofessionals aan om complexe casuïstiek aan te pakken. Veel van deze professionals sluiten zich aan bij PMM. Dat is goed nieuws, want zo kunnen zij samen werken aan het doorbreken van multiprobleemsituaties. In deze rubriek delen maatwerkprofessionals uit het hele land hun ervaringen aan de hand van 10 vragen. Dit keer is het woord aan Minouschka Schrijver en Désiré ter Beest, kwaliteitsmedewerkers bij de gemeente Bronckhorst.
1. Wat houdt jullie functie precies in en hoe geven jullie die rol vorm?
Minouschka: “Ons werk als kwaliteitsmedewerker binnen het sociaal domein is heel breed. Dat komt omdat we integraal werken. We zijn onder meer vraagbaak voor sociaal consulenten bij inhoudelijke en juridische vragen. Ook richten we werkprocessen in, vertalen we nieuwe wet- en regelgeving naar de praktijk en denken we mee over beleid.”
Désiré: “Daarnaast nemen we deel aan regionale overleggen en zijn we betrokken bij bezwaren.”
2. Welke rol speelt maatwerk in jullie werk en welke ontwikkelingen zie je?
Désiré: “Een grote rol. We kijken altijd breed naar wat er in een gezin speelt en wat het zwaarst weegt. Kinderen mogen bijvoorbeeld niet op straat komen te staan.”
Minouschka: “We werken binnen wet- en regelgeving, maar afwijken in het voordeel van een inwoner kan soms, als je dat goed kunt onderbouwen. We krijgen bijvoorbeeld vaker aanvragen voor bijzondere bijstand voor tandartskosten van mensen met een drugsverleden en schulden. Zij hebben soms geen verzekering of geld voor een noodzakelijke behandeling. Formeel kun je zo’n aanvraag afwijzen, maar soms wil je als gemeente toch iets kunnen doen. Als zulke situaties vaker voorkomen, bespreken we met beleid en juridische zaken of we daar iets voor moeten regelen. Want als je steeds hetzelfde maatwerk levert, is de vraag: wanneer is maatwerk eigenlijk geen maatwerk meer?”
Désiré: “Dat zien we ook bij Wmo en jeugd. Als we regelmatig maatwerk nodig hebben omdat passende zorg ontbreekt, kan dat betekenen dat er iets mist in het zorgaanbod. Dat signaal geven we dan door aan bijvoorbeeld contract- en leveranciersmanagement of de regio. Zo kan een individuele casus uiteindelijk aanleiding zijn om iets structureel te verbeteren.”
3. Hebben jullie het gevoel dat jullie als maatwerkprofessionals echt verschil kunnen maken?
Désiré: “Ja. Ons voordeel is dat we alles op één werkvloer hebben. Eén consulent heeft het complete beeld van een gezin. Samen kijken we vervolgens wat op dat moment het belangrijkst is en hoe we dat binnen de regels kunnen oplossen.”
Minouschka: “Soms moet je daarvoor creatief kijken naar wat wél kan. Zo waren er jonge ouders met een kind met ernstige medische beperkingen. Gewone kinderopvang was door de benodigde zorg niet mogelijk, maar de ouders wilden graag weer werken. Ze vonden zelf iemand met de juiste papieren die één-op-één opvang kon bieden en een reanimatiecursus wilde volgen. Wij hebben gekeken hoe we die opvang konden regelen. Eerst wilden we dat doen via een sociaal-medische indicatie (SMI), maar daardoor zouden de ouders voor die uren geen kinderopvangtoeslag krijgen. Samen met een jurist hebben we toen een andere mogelijkheid gevonden: de opvang koppelen aan hun re-integratie. Daardoor konden de ouders weer aan het werk én hun volledige kinderopvangtoeslag behouden. Zo probeer je binnen de regels een oplossing te vinden die goed is voor de ouders én voor het kind.”
4. Tegen welke uitdagingen lopen jullie aan bij het leveren van maatwerk?
Désiré: “De schotten tussen wetten en regelingen zijn soms erg belemmerend. We doen het uiteindelijk voor de inwoner, maar soms lijkt het alsof we vooral de regels en geldstromen moeten volgen. Die regelingen sluiten bovendien niet altijd goed op elkaar aan. Daardoor kunnen mensen tussen wal en schip raken. Dat zie je bijvoorbeeld bij beschermd wonen. Je helpt iemand om weer zelfstandig te kunnen wonen. Die persoon is dan klaar om uit te stromen – een prachtige stap. Maar vervolgens is er geen woning beschikbaar. Dan loop je dus vast op iets waar je zelf weinig invloed op hebt.”
5. Wat was voor de gemeente Bronckhorst de aanleiding om aan te sluiten bij het PMM-netwerk?
Minouschka: ‘Zo’n drie jaar geleden constateerde onze beleidsafdeling een toename in complexiteit van casussen. Zij zagen toen – terecht – meerwaarde in aansluiting bij het netwerk.”
6. Werken jullie al samen met andere professionals binnen het PMM-netwerk?
Minouschka: “Nee, tot nu toe konden we situaties zelf oplossen.”
Désiré: “Dat is ook de kracht van een kleine gemeente: de lijnen zijn kort. Niet alleen binnen ons eigen team, maar ook met onze samenwerkingspartners. Bovendien kennen we onze inwoners goed. Daardoor weten we elkaar snel te vinden als er iets speelt.”
Minouschka: “Het is voor ons goed om te weten dat wij gebruik kunnen maken van de expertise van het PMM-netwerk als we vastlopen in een casus.”
7. Tot hoever reikt de zorgplicht van de overheid?
Minouschka: “Daar hebben we best vaak discussie over. Soms verwachten inwoners dat de gemeente alle problemen oplost, bijvoorbeeld dat wij voor huisvesting zorgen. Natuurlijk willen we iemand ondersteunen, maar diegene heeft ook een eigen verantwoordelijkheid. Als we afspraken maken, verwachten we dat iemand die nakomt en zelf actie onderneemt. We nemen niet alles uit handen, want daar help je iemand uiteindelijk ook niet mee.”
8. Wat heeft jullie gemeente nodig om nog beter en sneller maatwerk te kunnen bieden?
Désiré: “Het zou helpen als de regelgeving eenvoudiger en minder strak was. Neem het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet. Een kind kan in Bronckhorst wonen, maar voor jeugdhulp kan een andere gemeente verantwoordelijk blijven omdat het kind daar eerder woonde. Tegelijkertijd kan Bronckhorst wél verantwoordelijk zijn voor bijvoorbeeld een uitkering of hulpmiddelen. Dat maakt integraal werken lastig. De andere gemeente zou de regie moeten voeren, terwijl het kind hier woont en wij het lokale zorgaanbod kennen. In de praktijk wordt ons daarom soms alsnog gevraagd die regie op ons te nemen. Ik zou liever zien dat de financiering het kind volgt, in plaats van dat het kind de financiering volgt.”
9. De vorige geïnterviewde vroeg: "Hoe ga jij om met morele dilemma's als je voelt dat een inwoner hulp nodig heeft, maar politieke keuzes, budgetten of regelgeving die hulp beperken?”
Désiré: “Als wij vinden dat hulp echt nodig is, leggen we de situatie voor aan onze teamleiders. Zij hebben korte lijnen met de wethouder en kunnen uitleggen waarom een oplossing volgens ons toch passend is. Ook als politieke keuzes, budgetten of regels in de weg lijken te zitten.”
Minouschka: “Zo dreigde een moeder met minderjarige kinderen uit haar woning te worden gezet. Ik vond dat we dat niet konden laten gebeuren en heb dat ook duidelijk uitgesproken. De kwestie kwam uiteindelijk zelfs bij de burgemeester terecht. Zo konden we uitzetting voorkomen.”
10. Welke vraag wil je graag doorgeven aan de volgende maatwerkprofessional?
Désiré: “Wij zien bijvoorbeeld bij statushouders dat kinderen, jongeren en hun ouders soms veel hebben meegemaakt. Je wilt hun de juiste zorg bieden, maar taal en culturele verschillen kunnen een barrière vormen. In een plattelandsgemeente zoals Bronckhorst hebben we niet altijd zorgaanbieders die bijvoorbeeld meertalige zorg kunnen leveren. Hoe zorg je ervoor dat je, ondanks taalbarrières en culturele verschillen dan toch de zorg kunt bieden die nodig is?”